← Table of contents
Baboe Dalima

Note 1 — XVIII. De onschuld ten val.

Reading edition

Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen zat, rakelings voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed, droeg een gebloemde sarong om het middel, was verder met een baadje van licht rooskleurig katoen getooid, terwijl over haren schouder een ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, aan een der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh” (haarwrong) droeg zij een dubbelde melati-bloem,1 die daar te midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die, hoewel niet koud, toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het zachte brons harer wangen paarde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings