Note 7 — XV. Onder den Wariengienboom.—In de opium-kit.
Reading edition
„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „dat gebruik vloeit voort uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil, die het bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk geluk en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father Mathews, den Ierschen matigheids-apostel en van andere afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat over het hoofd te zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne lijn stelt, gij niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de hoogte der koloniale litteratuur in zake opium zijt. Vaderlandsche mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud, Van Dedem en zoo vele anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker als een middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in zijne reisbeschrijving openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van het opiumverbruik mede, die van zoo’n aard zijn, dat, hoewel wij slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins die bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel volkomen. Een beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is,7 schreef reeds in de XVIde eeuw, dat het gemeene volk in China de opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde Von Miclucho Maclay8 schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te Hongkong genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik uwe ooren besparen wil. Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse,9 en zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als Minister van Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden, in de volle Vertegenwoordiging, van de opium spraken als van een kwaad, van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging, van eene verpesting, dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking en de gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig heilloozer zijn, dan die van het alcohol-verbruik.”