Note 2 — XV. Onder den Wariengienboom.—In de opium-kit.
Reading edition
Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische gewesten doorgebracht, was het volstrekt niet stil in de natuur. Een zacht windje deed toch de millioenen bladeren van den kolossalen wilden vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige geluiden, die vernomen werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd koerde in weerwil van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in de onmetelijke kruin van den Wariengien, en werd door haar gaaiken beantwoord; nu en dan liet zich een haan door de heldere maanstralen verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit volle borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en daar weerklonk het scherpe gepiep van de vele vleermuizen, die rondom onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten, een waren doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen, enz. beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar „kalongs”,2 die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of anderen vruchtboom van de dèsa waren neergestreken, en daar om het ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of „kwennie”3 plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als solopartijen beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal heerschte, hoewel de uitvoerders daarvan niet te bespeuren waren. In dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen, waarheen men het oor ook wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens zóó sterk liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan, dan weer zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar briesje langs een graanveld, soms plotseling als op een gegeven teeken ophield, alsof het ’t zacht lispelen der Wariengienbladeren wilde laten vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde kracht in koor te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „tongeret oetan,”4 eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere grasspriet van de aloon-aloon, op iedere bladpunt van den onmetelijken Wariengienboom gezeten, dat schril concert ten gehoore, en in letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten.