Note 1 — X. Une invitation à la chasse, en une invitation à la valse.
Reading edition
De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de kruinen van het hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig uitgeknipte schaduwbeelden, die, onder den invloed van de zachte bries, die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele paden of op de liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een groep Tjemårå’s,1 sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst met de westersche lorkenboomen hebben, maar fijnere naalden dragen. Die stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een uiterst fijn kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij dichterlijke zielen van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou gezegd hebben, dat op die plekken, waar dat gezeefde licht ontwaard werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend om straalbreking of schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving.