Note 12 — I. Bij Moeara Tjatjing.
Reading edition
Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig stilzwijgen. De Chineezen wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten gedoken op den vloer, met het hoofd op de borst, op het punt van in eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst pijnlijk aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was donker in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille morgenlucht zooveel mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd rechts en links wendde, dan kon hij evenwel door de reten der „Niboeng”12 latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak. Een grauw licht toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar den walgelijken modder, waarin een menigte dieren als alen, moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds rondkrioelden, om op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, te azen.