Note 10 — I. Bij Moeara Tjatjing.
Reading edition
Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten daarbij nog voorzichtigheidshalve de Chineesche taal, die geen der beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. En, nog voor dat de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide Chineezen zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden met een dun „gemoetoe-touw,”10 dat Liem King uit den diepen zak zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel zoodanig, dat de Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had de tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan onmogelijk geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij het ondernemen toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing bracht, had hem zelfs de gelegenheid ontbroken, om zijn „badeh” (kleine dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige pagaaien, om de djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in ieder geval onbekwaam was eenige krachtsinspanning te kunnen uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, had hij geslaakt bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen.