← Table of contents
Baboe Dalima

Note 3 — I. Bij Moeara Tjatjing.

Reading edition

Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten alle tijde land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te midden van een groep Saoe-boomen3 welke tusschen het Tandjang-bosch als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, dat van de landzijde, door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur omgeven, niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een ruimen blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat het door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik van die zijde gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een wachthuisje en eigenaardig „djaga monjet” (apenwacht) geheeten, was hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, met „atappen”4 gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen gebouwd; zoodat de golven, die soms het strand schenen te willen verzwelgen, er onder door konden stroomen, waarbij zij met een onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop het gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van inkervingen voorzien, deed de dienst van trap of ladder, en verleende toegang tot het hutje, waarin dikke duisternis heerschte, hoewel het niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren zich verbeeldden fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den storm langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op gillen dan op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel kon plaats hebben, daar het niemand in de hersens kon komen in dat weer en op dat uur op deze plek te verschijnen. De meest ijverige kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar behoorden klaarblijkelijk aan Chineezen, af te leiden uit de keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de omstandigheid, dat zij de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne uitspraak een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden tongval bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in het hutje in de omlijsting der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe zwart de nacht ook was, met loerenden blik het oog over de oppervlakte der zee lieten waren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings