Note 2 — I. Bij Moeara Tjatjing.
Reading edition
Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund zijn, waar tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een uitgestrekten doolhof vormden, een gewriemel van levende wezens plaats had, dat den opmerker met een gevoel van walging had moeten vervullen. Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen hare prooi te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit, bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige „kapiting’s” bij duizenden, en „oedang’s”2 in alle grootten, van den omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar te nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk beperkten gezichtskring, in den afzichtelijken modder, die door immer en immer aangevoerden plantendetritus, van dat vreemdsoortige woud afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die zich tusschen de tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel bijdroeg, wentelden en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet eendrachtelijk, dan toch in eene soort van gewapende overeenkomst, die hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene prooi te bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht.