Note 1 — IX. ANTIGONE1
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen. ↑