← Table of contents
Aspasia

Note 5 — VIII. HET OFFER AAN DE CHARITEN.

W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation

„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota, welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche5 fierheid, de toorn van Eros, den wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings