Note 13 — VI. IN HET CEPHISSUS-DAL.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik de Haemon, de zoon van koning Creon13 vrijwillig in den Hades14 doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen …”