Note 10 — VI. IN HET CEPHISSUS-DAL.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook, evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik, zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik werd door deze beide Harpyen10 uitgescholden, met smaadwoorden overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge, eene boeleerster, ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw, die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te vallen?”