Note 17 — V. DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik heb dien dichten hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten gaan, want ik had mij nu eenmaal in het gevaar begeven, ik waagde mij in de nabijheid van die toornige huisgoden en ik heb, ofschoon ge mij ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks in mij, om mij in ’t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en dulden, dat ik op zooveel smaadwoorden, zij ’t ook op een toon, die niets gemeen heeft met den uwen, iets zal antwoorden.—Wat is het dan Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles, waarom gij mij zoo harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat heb ik u ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den roep uwer deugden? Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts eene kleinigheid kan ik schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst van alles was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit waarachtig hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om het te verwerven en te behouden: de liefde van uw man! En wanneer het nu eens werkelijk zoo was, wanneer uw echtgenoot mij lief had en niet u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou de uwe zijn. Ben ik naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief te hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche vrouwen te leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen bemind te worden. Gij Atheensche vrouwen, kinderbarende slavinnen, verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen en gij wordt boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te verstaan. Wat beteekent het bemind te worden? Het beteekent behagen. Wilt ge bemind worden, weet te behagen. Daar baat geen echtband, geen dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke rechten, daar geldt alleen deze wet: weet te behagen!—En wanneer behaagt de vrouw? Boven alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met alles wat behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij alleen de zinnen streelt, niet lang wanneer zij slechts de verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort of het gemoed roert—dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet beminnelijk zijn.—Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te maken en te zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen liefde met meer zorg trachten te verbergen dan te openbaren. Verkoelend werkt te groote gloed der vrouw op den vurigen man, afstootend op den onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken en eindigt met hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of knorren, schertsen of vloeken mag de man, om ’t even, alleen geeuwen, geeuwen mag hij nooit.—Gij, o Telesippe, deedt te weinig en te veel: te weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe trouw; te veel, want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord! De vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis, noch eene slavin, zelfs niet de „echtgenoote,” zooals men het noemt, want Hymen17 is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op nieuw moet zij hare gunst doen verwerven en de zeldzame kunst verstaan, des avonds als bruid zijn leger te beklimmen en ’s morgens als maagd weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg die op, als ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten in te oogsten!”