Note 7 — V. DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te evenaren. Deze had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als dat van Hipponicus. Hij zocht overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich een klein hondje van Melitaeïsche7 ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid, aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes een nog kleiner van datzelfde ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner honden met een nieuwen Laconischen, Molossischen8 of Cretensischen hond, die om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte Pyrilampes niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus had een reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich kon vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg, ’t geen veel opzien baarde. Hipponicus’ oudste zoontje, die, zooals vanzelf sprak, Callias heette, betoonde weinig lust om de vier en twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus de kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere personen uit de omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der letters aanduiden. Pyrilampes had eveneens een zoontje, Demus geheeten, en daar deze liever met jonge honden speelde, zoo schafte hij zich vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals, waarop de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was beroemd om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon overtreffen, zocht hij de paarden van Hipponicus door een aantal zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen. Hipponicus hield altijd veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten, een schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer bepaald echter had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van Siciliaansche duiven toegelegd, die te Athene zeer in den smaak vielen en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk te vinden waren als bij Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes den slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van Hipponicus overtrof. Daar kreeg hij uit Samos9 een paar van die prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan Hera10 waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren. Pyrilampes liet de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren pronkend over zijn groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot verwondering en genoegen der voorbijgangers.