Note 22 — IV. DE PANSGROT.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het verschiet zweeft,” viel de dichter in. „Is het niet beter, in plaats van het oog te slaan op gindsche bergen van de Peloponnesus, volop te genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben? Jongeling, laat u niet verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen. Verlustig u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land daar beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u toelachen, de bezitting van den nooit vermoeiden Athener, die zoo mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne vruchtboomen en zaadvelden zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen oppassen en zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen tusschen de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der Goden en steenen monumenten naar alle zijden heen. Hier naar den Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het schoonst en heerlijkst echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad der mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren populieren en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad zelve daar uitgestrekt tusschen den Ilissus en den Cephissus, de kristalheldere maar kortlevende stroompjes; op de bergen nabij de stad ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee, maar zijn tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te bevochtigen, of borrelend in duizende bronnen hun jong leven te verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke oase in het zonnige land van Attica zijn de dalen, waar onder het heldere groen der olijven de schoone beekjes van den Cephissus klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne geboorteplaats, de heuvel van Colonos22. Uw krijgszuchtige vriend Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de schoonste rossen geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft uitgevonden. Maar ik zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe winden blazen, dat daar de wijnstok en de vijg bloeien, dat daar, bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren en de viooltjes en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop …”