Note 17 — IV. DE PANSGROT.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Hoor nu eens,” zeide Pericles, „wat u dit schoone, bochtige Attische strand zegt, deze schitterende golven, deze eilanden die hunne bergtoppen uit het schoonste zeegroen in het schoonste hemelsblauw verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen zeeboezem Aegina17 op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven verborgen zich de wilde „Miermenschen” van den voortijd. Thans echter verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen18 Zeus, welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts, korter nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der helden. Behoeft wel de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken held te blozen, die van daar tegen Ilium19 optrok? Werd niet juist daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam begroet, door ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar de Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor Attica verheffen, den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand reikende, daar verhalen overoude sagen van leeuwen, die in de woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen geworgd, hunne harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en leeuwenkracht hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die geërfde leeuwenmoed, waardoor, vlak achter die hoogten, op het slagveld van Marathon, de schitterendste aller overwinningen behaald zijn geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig delven wij op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke Pentelisch marmer en verzamelen den honig van de beroemde Hymettus bijen. Daar achter de Acrocorinthus20 verheft zich het geweldige Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste nevelsluier in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe21 uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen groet niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige Peloponnesus toezendt. Ziet ge die bochtige kusten met de steile hoogten van Argolis en daarachter Arcadië’s bergen? Zoo dikwijls ik over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen roem naar gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo zonderling te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet leggen—het is, alsof zich achter die bergen het sombere Lacedaemon verhief en dreigend daarover heen blikte.”