Note 1 — III. DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Hoog en breed, in ongestoorde helderheid, welfde zich de hemel des vredes over de stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht scheen geen mededinger meer te durven trotseeren. Gedreven door een onwederstaanbaren aandrang en met eene haast, als vreesden zij het rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland stroomden geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er waren vele beeldhouwers noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het fijne werk te maken. Voor de gevels van den tempel van Pallas moest een niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd worden, voor de metopen1 en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen gebeiteld worden. Bovendien wedijverden de rijke Atheners bij de beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die zij, gelijktijdig met de opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis wenschten te plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen datzelfde tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk te leveren. Tallooze werk- en timmerlieden waren met den bouw der groote worstelschool en het Odeon bezig; een nog grooter aantal bij de werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon ontwaakte thans een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met muildieren en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van den rotsachtigen berg der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de kreten der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige marmerblokken op de hoogte van den berg te brengen. En evenals naar het marmer op den Pentelikon, groeven de Atheners nu vlijtiger dan ooit naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun kooplieden aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en allerlei metalen en verfstoffen, en uit het verre Oosten het ivoor. De steenen en boomen moesten bewerkt worden, de metalen gesmolten; het ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst wisten gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen vol werks, om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te vervaardigen; de touwslagers moesten den bouw -en timmerlieden en wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers moesten wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles werd in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor den zwaarsten handenarbeid bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen scheen de stille, ernstige, taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden in zijn eigen land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip ééne groote kunstenaarswerkplaats.