Note 16 — III. DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds gloeiend van toorn tegen den oligarch. De Sicyoniër liep in zijne nabijheid. „Hebt ge gehoord,” sprak hij, zich tot hem wendende, „wat zoo’n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het gemeene volk te verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm is—alsof wij daarom minder Atheensche burgers waren! ’t Is waar, ik ben slechts een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood een paar maal als min moeten verhuren. Maar de wet verbiedt uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger, wanneer hij uit armoede een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En bij Pallas, ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht van Phaleron. Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug zijn kost te zoeken, dan zooals zij leven, die liever verhongeren willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne waardigheid achten, als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken of rond te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan eene van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen aanklagen en van de geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne bepaalde portie af te strijken. Houden zij het voor eene eer als parasiet16 of sycophant17 te leven, wel bekome het hun. Ik echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij den spot wil drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe wat brood en uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag op de Pnyx ten dienste van mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op den vroegen morgen van Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der morgenzon mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te wenken en te zeggen: „Ook gij zijt een mijner zonen!” dan gaat mijn hart open en in stilte breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons, kinderen van het Attische land, allen, onverschillig of wij in de stad of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot één staat heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch toegeven, dat evenals steden van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene zich van alle overige Grieksche steden onderscheidt. Wij Atheners zijn nu eenmaal autochthonen18 en hebben onbetwist het zuiverste, meest onvermengde Hellenenbloed in de aderen. Gij begrijpt echter tevens, dat het niet weinig beteekent, een staat als deze, als burger mede te helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel wat hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen van den strateeg Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig, zeer verstandig en ik ben zeer ingenomen met het overbrengen van de bondskas van Delos naar Athene: eveneens met het besteden der gelden ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene op den burg. Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles toegeven, alsof het zoo zijn moest—wij moeten altijd laten merken, dat wij de baas zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat wij eene volksregeering hier in Athene hebben.…”