Note 14 — III. DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren onbekend zijn, moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als ’t mogelijk is, van een eerlijk man.—Zie hier,” ging hij voort, terwijl hij een zeer klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de vlakke hand lei, „zie hier, dat is Attisch zilver, zooals wij het daarboven uit Laurion14 delven. In de geheele wereld vindt ge zulk fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit muntstukje evenwel is ons kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u een gemeene kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan krijgt ge een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier obolen kunt ge een lekkeren zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene drachme, dan kunt ge daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de eene en den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen. Voor zoo’n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels; voor twee zulke drachmen een heel schepel gerstemeel, voor drie een schepel weit of eene Copaïsche aal en voor tien zulke drachmen kunt ge u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof moet zijn. Hebt ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer klein huisje, wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig zestig minen besteden en dat maakt een talent uit.—Ziet ge, op deze wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en prachtige zaken te Athene voor weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige ontbreekt, dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige, inlandsche knoflook kauwen.”