Note 4 — XXIV. DE SATYR EN DE BACCHANTE.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld4 in den mond gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en bekranst met klimop, op een leger in het peristylium van het huis tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels. Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste, vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—