← Table of contents
Aspasia

Note 2 — XXII. STRIJD EN ZEGEPRAAL.

W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation

„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein nachtelijk avontuur te bestaan. Ons speelde het Homerisch gezang2 van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates juist weder te vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen. Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings