← Table of contents
Aspasia

Note 23 — XIX. HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.

W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation

„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd rustig en kalm mijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt. Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere tweetal Godinnen23 van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige beschermvrouw van het Attische land en volk wier beeld stralenden, vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw burg!”—

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings