← Table of contents
Aspasia

Note 17 — XVII. HET MEISJE UIT ARCADIË1.

W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation

„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te begeven en kudden te weiden17. Blijf hier! Gij kunt dan als eene cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij naar Athene zal vergezellen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings