Note 10 — XVII. HET MEISJE UIT ARCADIË1.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden God10 zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed schuimde uit de harige borst van den ram.