Note 9 — XVII. HET MEISJE UIT ARCADIË1.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk, vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles9 bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”