Note 7 — XVII. HET MEISJE UIT ARCADIË1.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het „paardenvoedende Argos”7 schitterde de blauwe zeeboezem van Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt, hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.