Note 2 — XVI. DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST1.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd, alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar meesterstuk is de zachte en lichte sesamee2, die zij uit sesamusmeel met honig en olie in de pan gereed maakt. Zij neemt gepelde gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om, besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die met de zoogenaamde Cappadocische3 koeken dweepen. Men kneedt ze het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en moeten geheel heet op tafel komen.”