← Table of contents
Aspasia

Note 10 — XIV. DE PANATHENAEËN.

W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation

De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten heenspoedend met de blijde boodschap Nike10 en Iris11, haar tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land, bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende godheden: de onstuimige Poseidon, die zooeven met den drietand de heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen, die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen12 het overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte, dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings