Note 2 — XIV. DE PANATHENAEËN.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veerman Nessus opgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen. ↑