Note 8 — XIII. DIOPITHES EN HIPPARETE.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus8, die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had gevonden, door de Maenaden9 in de zee geworpen en door den vloed verder gestuwd was over de Aegaeïsche zee en welker tonen de zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.