Note 2 — XIII. DIOPITHES EN HIPPARETE.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te betalen, omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden2 der zee onthouden, dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een prachtigen paeän op Asclepius3 gedicht, die op de geheele vloot gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”