Note 1 — XII. UREN VAN ZALIGHEID.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van het vaste gevoel, dat zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs1 uit de aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.