Note 19 — X. DE KONINGIN VAN HET FEEST.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit Clazomenae te dezer plaatse, waar zooeven nog onder den klank van vroolijke skoliën19 het feestelijk genot om het met bloemen bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der zelfverloochening niet ontbreken. Hij zal de vreugde tot zijne slavin maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns, handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen. Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon20 en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten: