Note 13 — X. DE KONINGIN VAN HET FEEST.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch even vroom en den Goden even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus Herkeios13 heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje14, en de kegelvormige zuil van Apollo Agyieus15 den God der straten en daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene Pyanepsiën-feest16 tot het andere de olijftak, symbool der overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der aarde. Want in den Tartarus17 zijn er velen, die om verschillende overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet, dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische gouden dariken18 zouden kunnen ontrooven.”