← Table of contents
Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875

Note 18 — VOORBERICHT. (continued 2)

Reading edition

Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder dierkens waren, die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden, die ik alleen voor myn zelve houde, kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44. ↑

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings