Note 2 — Het vriendschapsverbond.
Simon Jacob Andriessen translation
De zomer kwam. De zon brandde zoo heet, dat de bladeren der boomen verdorden; ik dacht aan onze koele bergen, aan het frissche water, dat wij daar hadden; ook moeder verlangde daarnaar, en op zekeren avond ondernamen wij de terugreis. Welk een rust, welk een stilte! Wij liepen door den hoogen tijm, die nog geur van zich gaf, ofschoon de zon zijn bladeren verzengd had. Geen enkelen herder ontmoetten wij, geen enkele hut kwamen wij voorbij. Alles was stil en eenzaam; slechts een vallende ster zeide, dat daarboven in den hemel nog leven was. Ik weet niet, of de heldere, blauwe lucht zelf licht van zich gaf, dan of het de stralen der sterren waren; wij herkenden de omtrekken der bergen zeer goed. Mijn moeder legde vuur aan, kookte uien, die zij meegebracht had, en mijn zusje en ik sliepen in den tijm, zonder vrees voor den afschuwelijken Smidraki2 uit wiens muil vlammen springen, of voor den wolf en den jakhals; moeder zat immers naast ons, en dat was voldoende voor onze veiligheid.