Note 1 — UIT DE DUISTERNIS TOT HET LICHT.
Reading edition
Meester Dürer zat in zijn werkplaats te teekenen. Keizer Maximiliaan was dit jaar weer in Neurenberg geweest en had den meester, over wiens “Poort der Eere” hij hoogst tevreden was, opgedragen om op het tweede groote stuk, “de Triomf,” als voornaamste deel een triomfwagen te schilderen naar plannen, die Zijn Majesteit zelf had ontworpen. De zoo prachtig mogelijk versierde wagen, door zes paarden getrokken, moest achterin voorzien zijn van een hooge zitplaats, waarop de keizer zou troonen in vol ornaat, met zijn jonge gemalin, Maria van Bourgondië; voor de beide Majesteiten moest koning Filips de Schoone zitten tusschen zijn zuster en zijn echtgenoot, voor hen zijn zoons, de aartshertogen Karel en Ferdinand en geheel voorin hun zusters. Het was Wilibald Pirkheimer opgedragen om met Dürer deze keizerlijke gedachten in artistieken vorm te gieten en meester Albrecht was juist bezig de met vriend Wilibald veranderde plannen op het papier te teekenen. Doch het werk wilde vandaag niet goed vlotten. Het licht was zoo slecht, dat hij niets kon zien op de plaats, waar hij gewoonlijk zat, en aan een kleine tafel dicht bij het venster moest gaan zitten om beter te kunnen zien. Maar het was niet alleen dat, wat hem bij zijn schepping hinderde. In zijn geheele wezen en in zijn gebaren lag een bijzondere rusteloosheid; naast hem lag een boekje, waarin hij nu en dan een blik wierp en dan verzonk hij in diep gepeins. Het boekje was getiteld: “Het heilige Onze Vader, verklaard door Dr. Maarten Luther.”1 Hij had het gekregen van Christoffel Scheurl, den man, die hem indertijd te Bologna had verwelkomd, daarna tot professor in de rechtsgeleerdheid te Wittenberg was benoemd en nu als rechterlijk plaatsvervanger in Neurenberg een aanzienlijke plaats innam. Door hem had hij veel gehoord over dezen merkwaardigen man, die in Saksen en ook verder in het land veel van zich deed spreken, dien Augustijner monnik en professor in de theologie aan de, door den keurvorst Frederik den Wijze gestichte, hoogeschool te Wittenberg. Van het begin af aan had Dürer een levendige belangstelling gekoesterd voor dezen uitstekenden geleerde en hij had ook vlijtig bestudeerd de preeken van Pater Wenzel Link, die, in nauwe vriendschapsbetrekking tot Luther staande, reeds sinds den tijd, dat ze samen in het klooster te Erfurt waren, sedert eenigen tijd in het Augustijner klooster te Neurenberg was. Deze preeken hadden een diepen indruk op hem gemaakt en een hevigen storm in hem verwekt. Als een trouw zoon zijner kerk en met een vroom hart had hij tot nu toe gewandeld volgens de geboden van den pauselijken stoel en voor het oog der menschen vlekkeloos geleefd; ja, hij had zich de grootste achting verworven, niet alleen als kunstenaar, maar ook als mensch;—nu begon hij te twijfelen, of de weg, dien de kerk aanwees, wel de rechte was. En zijn twijfel nam nog toe, als hij dacht aan den gruwel der verwoesting aan het heilige gepleegd en het diepgaande verderf der kerk zag, dat hem reeds jaren geleden stof tot zijn teekeningen uit de Openbaring van Johannes had gegeven. En hij was niet de eenige te Neurenberg die deze dingen bepeinsde; andere burgers en juist de beste en edelste, voelden hun hart ook onrustig kloppen. Als hij naar de prediking van Pater Link in de Augustijnerkerk ging, kon hij er zeker van zijn den kanselier Scheurl, den voortreffelijken secretaris van den raad en den syndicus Lazarus Spengler te vinden en van de patriciërs de heeren Hieronymus, Ebner, Kaspar Nützel en Hieronymus Holzschuher. Ook Wilibald Pirkheimer voegde zich bij hen; maar hij uitte zich op eenigszins andere wijze. Hij behoorde tot de zoogenaamde Humanisten, een kring van geleerden, die in het herleefd klassieke tijdvak de wereld vonden, waarin hun geest zich bewoog en van dit standpunt uit trokken zij te velde, zoowel tegen het wetenschappelijk ongevormde, als tegen het bijgeloof van hun tijd. Men legde Pirkheimer ten laste, dat hij had meegewerkt aan de “brieven van de mannen der duisternis,” die in goed geslaagde navolging van het slechte latijn der monniken den bedelmonnik met zijn grenzenlooze domheid en schaamtelooze onzedelijkheid aan de kaak stelden. Wilibald Pirkheimer verkneukelde zich hierin en hij genoot van het algemeene gelach, dat deze brieven verwekten. Zijn wapens tegen het verderf van den tijd waren geestigheid en spotternij, en zijn hart nam er slechts in zoover deel aan, dat hij zich verheugde over de nederlaag van zijn tegenpartij. Eens was zijn gevoel opgekomen tegen Meester Wolgemuts “Pausezel” als tegen een te ruwe, onridderlijke wijze van strijden, nu plaatste hij zich eigenlijk op hetzelfde standpunt.